Naar de inhoud
IKAgBureaugroeigidsJouw blad

Deel II · Kiezen wie je bent

Waarmee win ik?

De spreiding binnen een bureautype is groter dan het verschil tussen de types.

Ik weet wat wij doen. Maar waarom zouden ze óns kiezen?

Het is de vraag die niet in de cijfers zit en die alles bepaalt wat er wel in zit. Je kan je marge uitrekenen, je kan je opbrengst per mens uitrekenen, maar de reden waarom een adverteerder jou belt in plaats van de zestien andere bureaus die hetzelfde beweren, staat in geen enkele jaarrekening.

Wat wél in de jaarrekeningen staat, is het gevolg ervan. En dat gevolg is opvallender dan verwacht.

Zelfdiagnose: waar sta jij in je eigen soort

Waarom dit telt. De vraag is niet welk soort bureau je bent, maar waar je staat binnen je eigen soort. Dat tweede getal bepaalt je marge veel sterker dan het eerste, en het is het enige van de twee dat je zelf kan verzetten.

Kies je soort bureau, dan vullen de sectorspiegels zich met de mediaan van dat type.

VraagJouw cijferSectorspiegel
Mijn EBITDA-marge %mediaan van mijn hoofdtype: % (zie figuur h02-f04)
Mijn brutomarge per VTEmediaan van mijn hoofdtype: € (zie figuur h02-f08)
Aandeel omzet uit mijn grootste sector %-
Aantal verschillende soorten opdrachten vorig jaar-

Drie vragen bij het resultaat:

  1. Sta je boven of onder de mediaan van je eigen hoofdtype? Dat is de enige vergelijking die telt; de sectormediaan van 21,8% uit hoofdstuk 1 is een kompas, je hoofdtype is de kaart.
  2. Als je je omzet van vorig jaar sorteert van groot naar klein: hoeveel procent zit in je drie grootste soorten opdrachten? Onder de zestig procent ben je in de praktijk generalist, hoe je jezelf ook noemt.
  3. Welke opdracht van vorig jaar zou je vandaag niet meer aannemen? Als je die vraag niet binnen dertig seconden kan beantwoorden, is dat het antwoord.

Vul in wat je uit het hoofd weet en laat de rest open. Wat de sector doet, staat hieronder; kom terug naar deze tabel zodra je het gelezen hebt.

De spreiding binnen jouw soort is groter dan het verschil tussen de soorten

De verleiding is om te beginnen met een ranglijst van bureautypes: welk soort bureau verdient het best. Die lijst tonen we ook. Maar ze is de minst bruikbare figuur in dit hoofdstuk, en dat zeggen we liever vooraf dan achteraf.

Neem de EBITDA-marge van boekjaar 2024, per hoofdtype. Bovenaan staat het eventbureau met een mediaan van 39,8% (n=44), onderaan de UX- en designstudio met 6,2% (n=28). Tussen de hoogste en de laagste mediaan van de vijftien types zit dus 33,6 procentpunt. Dat lijkt een reusachtig verschil, en het nodigt uit tot de conclusie dat je in het verkeerde vak zit.

Kijk nu binnen één van die vakken. Bij de eventbureaus haalt het onderste kwart 19,5% en het bovenste kwart 72,1%: 52,7 procentpunt spreiding, binnen één hoofdtype. Bij de strategiebureaus 51,4 punten (n=10, te weinig om op te bouwen, maar de richting is duidelijk). Bij de brandingbureaus 36,3 punten (n=104), bij de performance- en mediabureaus eveneens 36,3 (n=74).

Van de vijftien hoofdtypes hebben er negen een interne kwartielspreiding die groter is dan het volledige verschil tussen de vijftien medianen onderling. Anders gezegd: als iemand je vertelt wat voor soort bureau je bent, weet hij nog bijna niets over je marge. Als iemand je vertelt of je in het bovenste of het onderste kwart van je eigen soort zit, weet hij bijna alles.

Dat is geen ontmoedigend cijfer, het is een bevrijdend cijfer. Je hoofdtype heb je grotendeels geërfd van de keuzes die je tien jaar geleden maakte. Je positie binnen dat hoofdtype maak je elk kwartaal opnieuw.

H2-F02

Topkwartiel tegenover staartkwartiel per hoofdtype

Spreiding tussen eerste en derde kwartiel van de EBITDA-marge, per hoofdtype, naast de mediaan. Boekjaar 2024, n per hoofdtype vermeld; drie types onder de twintig bureaus.

  • Minstens één rij steunt op minder dan twintig bureaus; de n staat per rij in de figuur.
  • De vraag is niet welk hoofdtype het beste doet maar hoe ver de kop en de staart binnen hetzelfde hoofdtype uit elkaar liggen. Is die afstand groter dan het verschil tussen de hoofdtypes, dan verklaart het bureautype minder dan de keuzes binnen het bureau - en dat is de stelling van dit hoofdstuk.

H2-F02 · n = 804 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

H2-F01

EBITDA-marge per hoofdtype, referentiejaar

Mediane EBITDA-marge per hoofdtype met kwartielen. n = 804 actieve bureaus, per rij uitgesplitst.

  • Minstens één rij steunt op minder dan twintig bureaus; de n staat per rij in de figuur.
  • De marge staat op brutomarge en niet op omzet. De vuistregel "loonkost is 55 tot 60%" geldt tegen omzet; tegen deze Belgische brutomarge ligt de empirische mediaan op 78%.
  • De EBITDA is niet genormaliseerd voor ondernemersloon. Rubriek 9503 staat in 1,4% van de neerleggingen, dus bij de kleinste bureaus is de marge een bovengrens en geen meting.

H2-F01 · n = 804 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

Grootte verklaart meer dan specialisme, en dat is nu ook te zien

De doorsnede die eigenaars het vaakst vragen, is hun eigen vak naast hun eigen grootte. Die staat er, op twee niveaus, en het verschil tussen de twee is dekking.

Begin bij het cluster, want daar is ze het volledigst. Zes clusters maal vier grootteklassen is vierentwintig cellen, en vijftien daarvan dragen minstens twintig bureaus.

H2-F08

EBITDA-marge per cluster en grootteklasse, referentiejaar

EBITDA-marge per cluster en grootteklasse, referentiejaar. Alleen de vijftien cellen met minstens twintig bureaus; samen 613 van de 709. n = 709 bureaus in de kruising.

  • Rijen met minder dan vijf entiteiten zijn weggelaten. De aandelen blijven op het volledige totaal gerekend, dus de percentages tellen bewust niet op tot honderd.
  • EEN LIJST EN GEEN RASTER, EN DAT IS HET HELE VERSCHIL. De kruising hoofdtype x grootte staat in deze gids geblokkeerd omdat één cel onder de drempel de hele tabel besmet: in een raster staan de sterke en de zwakke cellen naast elkaar en wordt er over de zwakke geschreven. In een lijst bestaan de cellen die het niet halen gewoon niet.
  • Op cluster werkt dat, op hoofdtype niet. Zes clusters maal vier grootteklassen is vierentwintig cellen tegenover zesenvijftig, en er halen er vijftien de drempel tegenover twaalf. Zie de methodologie.
  • DEKKING: die vijftien cellen dragen 613 van de 709 bureaus in de kruising, dus 86,5%. De negen weggelaten cellen dragen samen 96. Dat cijfer hoort bij deze figuur genoemd te worden: een lijst die een derde van de sector niet toont, is iets anders dan een volledige tabel.
  • GESORTEERD OP CLUSTER EN DAARNA OP GROOTTE, niet op mediaan. Het patroon dat deze figuur draagt loopt BINNEN een cluster van klein naar groot, en op mediaan gesorteerd is dat onzichtbaar.
  • DE KLEINSTE KLASSE DRAAGT GEEN ONDERNEMERSLOON. Rubriek 9503 staat in 1,4% van de neerleggingen, dus bij 1 tot 5 VTE zit het loon van de eigenaar nog in de EBITDA. Dat de kleinste klasse in élk cluster hoger uitkomt, is dus deels dat en niet alleen prestatie. Wat de kruising toevoegt is dat het patroon in elk cluster dezelfde kant op wijst.

H2-F08 · n = 709 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

Lees de lijst per cluster, van klein naar groot, en er staat zes keer hetzelfde.

  • Brand & creatie: 22,8% bij 1 tot 5 VTE, 15,1% bij 5 tot 15, 11,8% bij 15 tot 40.
  • Content, PR & social: 24,8%, dan 11,2%, dan 13,0%.
  • Digitaal & tech: 27,6%, dan 12,1%, dan 11,6%.
  • Full-service: 28,6%, dan 17,5%.
  • Performance & data: 33,7%, dan 14,1%.
  • Productie & events: 47,9%, dan 29,7%.

In alle zes de clusters ligt de mediaan van de kleinste klasse hoger dan die van de klasse erboven. Zes van de zes, en de stap is nergens klein: hij loopt van 7,7 procentpunt bij Brand & creatie tot 19,6 bij Performance & data.

De stap daarna is minder eenduidig, en dat hoort erbij. Van 5 tot 15 naar 15 tot 40 kunnen we hem bij drie clusters zien, en bij twee daalt hij verder terwijl hij bij Content, PR & social met 1,8 punt weer stijgt. Het patroon zit dus in de sprong van klein naar middelgroot, en niet in de hele reeks.

Eén ding moet daar meteen bij, want zonder die zin is dit cijfer misleidend. De kleinste klasse draagt geen ondernemersloon. De rubriek bestuurdersbezoldiging staat maar in 1,4% van de neerleggingen, dus bij een bureau van drie mensen zit het loon van de eigenaar nog gewoon in de EBITDA. Een deel van dat verschil is dus boekhouding en geen prestatie. Dat weegt het zwaarst bij de hoogste cel van de hele lijst, Productie & events bij 1 tot 5 VTE op 47,9%: lees dat cijfer niet als winstgevendheid.

Wat de kruising toevoegt boven de gewone grootteklassefiguur, is dat die eerste sprong in élk cluster terugkomt. Was het een samenstellingseffect geweest, dan zou hij bij één of twee clusters omkeren.

En de spreiding blijft binnen de cellen groter dan tussen de cellen. Brand & creatie bij 1 tot 5 VTE loopt van 11,0% tot 44,4%: 33,4 procentpunt binnen één cluster van één grootte. Dat is meer dan het verschil tussen de hoogste en de laagste van de vijftien medianen op één na.

Twee dingen om te weten voor je dit cijfer ergens gebruikt. Er staan vijftien cellen en geen vierentwintig: de negen die de drempel niet halen, dragen samen 96 bureaus en staan er niet in. En dit is een lijst en geen tabel, met opzet: in een raster staan de sterke en de zwakke cellen naast elkaar, en dan wordt er over de zwakke geschreven.

En op bureautype, voor wie zijn eigen vak wil zien

Het cluster is een verzamelnaam, en de vraag die erachter zit is scherper: hoe zit het bij míjn soort bureau. Die lijst kan ook, met dezelfde regel en een grotere prijs.

H02-F13

EBITDA-marge per hoofdtype en grootteklasse, referentiejaar

EBITDA-marge per hoofdtype en grootteklasse, referentiejaar. Alleen de twaalf cellen met minstens twintig bureaus; samen 388 van de 709. n = 709 bureaus in de kruising.

  • DEZELFDE UITZONDERING ALS h02-f12, EEN TREDE FIJNER. Tot 22 augustus 2026 stond deze kruising geblokkeerd, en dat was terecht zolang de drempel op dertig bureaus lag: dan haalden vijf van de vijfenvijftig cellen ze. Bij twintig zijn het er twaalf van de zesenvijftig, en dan is de lijstvorm verdedigbaar. Beslissing van Bart.
  • HET RASTER BLIJFT GEBLOKKEERD (h02-f07 en h01-f07). Het verschil is niet de data maar de vorm: in een raster staan de sterke en de zwakke cellen naast elkaar en wordt er over de zwakke geschreven; in een lijst bestaan de cellen die het niet halen gewoon niet.
  • DEKKING: die twaalf cellen dragen 388 van de 709 bureaus, dus 54,7%.
  • Dat is beduidend minder dan de 86,5% van de clusterlijst, en het hoort bij deze figuur genoemd te worden: bijna de helft van de sector staat er niet in. Er blijven zes hoofdtypes over van de vijftien.
  • GESORTEERD OP HOOFDTYPE EN DAARNA OP GROOTTE, niet op mediaan, om dezelfde reden als bij f12: het patroon loopt BINNEN een hoofdtype van klein naar groot. In alle vijf de types met meer dan één cel zakt de mediaan zodra het bureau groter wordt.
  • DE KLEINSTE KLASSE DRAAGT GEEN ONDERNEMERSLOON. Rubriek 9503 staat in 1,4% van de neerleggingen, dus bij 1 tot 5 VTE zit het loon van de eigenaar nog in de EBITDA. Diezelfde waarschuwing geldt hier.

H02-F13 · n = 709 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

Zes hoofdtypes blijven over van de vijftien, en samen dragen ze 388 bureaus. Dat is 54,7% van de kruising, tegenover 86,5% bij de clusterlijst. Bijna de helft van de sector staat hier niet in, en dat is de prijs van de fijnere trede: hoe scherper je de vraag stelt, hoe minder bureaus er antwoord op krijgen.

  • Brandingbureau: 21,1% bij 1 tot 5 VTE, 15,4% bij 5 tot 15.
  • Creatief bureau: 27,8%, dan 11,5%.
  • Digitaal bureau: 27,8%, dan 12,6%, dan 11,1% bij 15 tot 40.
  • Full-service bureau: 28,6%, dan 17,5%.
  • Performance- en mediabureau: 33,6%, dan 14,7%.
  • Productiehuis: 27,9% bij 5 tot 15, en dat is de enige cel die dit type haalt.

In alle vijf de types met meer dan één cel zakt de mediaan zodra het bureau groter wordt. De stap loopt van 5,7 procentpunt bij de brandingbureaus tot 18,9 bij de performance- en mediabureaus. Het is dus hetzelfde patroon als op cluster, een trede fijner, en dat het op beide niveaus terugkomt maakt de kans kleiner dat het aan de indeling ligt.

Dezelfde twee waarschuwingen gelden onverkort: de kleinste klasse draagt geen ondernemersloon, en dit is een lijst en geen raster. Het raster met alle zesenvijftig cellen staat niet in deze gids en komt er ook niet in.

Waar het verschil dan wél zit

Als het bureautype het niet verklaart, wat dan wel? De jaarrekeningen kunnen die vraag niet rechtstreeks beantwoorden - er staat geen kolom "positionering" in een neerlegging. Maar drie waarnemingen wijzen samen dezelfde kant op.

Ten eerste: de opbrengst per mens verschilt minder tussen types dan de marge. De mediane brutomarge per VTE loopt van 61.673 euro bij de social-mediabureaus (n=28) tot ongeveer 103.588 euro bij de data-, CRM- en martechbureaus (n=14, onder de drempel, dus lees dat als aanwijzing). Voor de grote types ligt alles tussen 71.525 en 78.768 euro. Wat je per mens binnenhaalt is dus behoorlijk uniform; wat je ervan overhoudt niet. Het verschil wordt dus vooral gemaakt in wat er ná de opbrengst gebeurt: welk werk je aanneemt, tegen welke prijs, met hoeveel overleg.

Ten tweede: het cluster met de hoogste groei is niet het cluster met de meeste bureaus. Productie en events groeide vorig jaar mediaan 10,0% (n=88), performance en data 6,3% (n=78), terwijl content, PR en social op min 2,2% uitkwam (n=116) en digitaal en tech op 0,4% (n=178). De twee grootste clusters groeiden het traagst. Waar iedereen staat, is de prijsdruk het hoogst; dat is geen wet maar het is wel wat deze cijfers laten zien.

Ten derde, en dit komt van buiten onze data: in een enquête van Semrush bij 643 Amerikaanse B2B-professionals over hoe zij leveranciers zoeken, zei slechts 7% dat merkbekendheid hun aandacht trekt, tegenover 53% die let op een leverancier die nauw aansluit bij hun specifieke toepassing. Dat is een Amerikaanse steekproef in een breder B2B-veld en niet de Belgische bureaumarkt, dus behandel het als richting en niet als maat. Maar het strookt met wat de Nederlandse M&A-markt laat zien: Emerce berichtte eind 2025 dat de overnamemarkt voor digitale bureaus verschuift naar kleinere, specialistischer transacties, en dat bureaus met langlopende samenwerkingen hoger gewaardeerd worden dan spelers die vooral losse projecten draaien.

H2-F04

Brutomarge per VTE per hoofdtype, referentiejaar

Mediane brutomarge per VTE per hoofdtype met kwartielen. n = 709 bureaus, per rij uitgesplitst; vier types onder de twintig bureaus.

  • Minstens één rij steunt op minder dan twintig bureaus; de n staat per rij in de figuur.

H2-F04 · n = 709 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

H2-F03

Mediane groei per cluster, referentieovergang

Mediane groei per cluster, 2023 naar 2024. n = 738 groeiparen, per cluster uitgesplitst.

  • Het cluster is een groepering van hoofdtypes, variant A uit apps/barometer/src/clusters.php. Een clustercijfer is GEEN bureautype; schrijf dat er in de tekst bij, zoals de barometer het bij 36,8% doet.

H2-F03 · n = 738 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

Positionering is een keuze over wat je niet doet

Hier zit het ongemakkelijke deel. Bijna elk bureau dat wij spreken beschrijft zichzelf als gespecialiseerd. Als je vervolgens de klantenlijst bekijkt, staan daar acht sectoren en elf soorten opdrachten in.

Dat is geen oneerlijkheid. Het is de optelsom van jaren goed werk leveren aan wie belde. Elke afzonderlijke opdracht was verdedigbaar; het patroon is dat niet. En het is precies dat patroon dat je marge afvlakt naar het midden van je soort: je bouwt aan geen enkele opdracht een voorsprong op, dus onderhandel je elke opdracht opnieuw vanaf nul.

Specialiseren betekent daarom in de praktijk zelden iets nieuws beginnen. Het betekent iets stoppen. En dat is moeilijker dan het klinkt, want het werk dat je zou moeten laten vallen is meestal werk dat vandaag betaalt.

Een gestileerd voorbeeld, geen dossier. Neem een bureau met 1,2 miljoen brutomarge waarvan 15% uit een dienst komt die buiten de as valt: werk dat binnenkwam via één historische klant, tegen een marge die de helft lager ligt dan de rest. Stoppen kost op papier 180.000 euro omzet. Maar die dienst bezet ook capaciteit, onderhandelt elke verlenging op prijs en levert nooit een doorverwijzing op, want niemand associeert het bureau ermee. De rekensom die telt is niet wat de dienst opbrengt, maar wat de vrijgekomen capaciteit waard is in het werk waar het bureau wél een voorsprong opbouwt. Bureaus die die som maken, stoppen zelden abrupt: ze laten de dienst uitdoven bij de eerstvolgende natuurlijke breuk en vullen de ruimte bewust in plaats van vanzelf. Heb je dit zelf doorgemaakt, met echte cijfers: de volgende editie zoekt dit voorbeeld.

Handvat 1: kies je as, en kies er één

Je kan je op drie manieren afbakenen: op dienst (wij doen alleen dit), op sector (wij doen dit alleen voor deze markt), of op probleem (wij lossen dit specifieke ding op, voor wie het ook heeft). Alle drie werken. Twee tegelijk werkt zelden, want dan is je publiek de doorsnede van twee kleine groepen.

Todo deze maand: schrijf in één zin op welke as je kiest, zonder bijzin en zonder "en". Leg die zin voor aan drie klanten en vraag of ze jou daarin herkennen. Hun aarzeling is je echte positionering.

Handvat 2: laat je positionering nakijken door een machine

Sinds klanten hun kandidatenlijst mee laten opstellen door een AI-assistent, is er een goedkope test bijgekomen. Stel de vraag die jouw ideale klant zou stellen aan een AI-assistent, en kijk of je genoemd wordt. Word je niet genoemd, dan is dat geen ramp maar wel informatie: hoofdstuk 4 laat zien hoe onstabiel die antwoorden zijn en waarom je er geen ranglijst van moet maken.

Todo deze maand: formuleer de drie koperszinnen die jouw beste klant zou intikken. Stel ze aan twee verschillende assistenten, twee keer elk. Noteer welke namen terugkomen en of de jouwe erbij staat.

Handvat 3: maak van je afbakening een prijsargument

Een specialisatie die je niet in je offerte gebruikt, is een marketingtekst. De hefboom zit in de zin die volgt op de prijs: waarom dit bedrag redelijk is voor jou specifiek. Hoofdstuk 5 werkt de prijszetting uit; dit is de brug ernaartoe.

Todo dit kwartaal: herschrijf de inleiding van je standaardofferte zodat de eerste alinea gaat over waarom jij dit werk sneller of zekerder doet, en niet over wie jullie zijn. Test ze op drie offertes en vergelijk de marge.

Handvat 4: snijd één ding weg, met een datum

Afbakening zonder afscheid is een voornemen. Kies één dienst of één sector die niet bij je as past, zet een datum, en bouw ze af bij de eerstvolgende natuurlijke breuk: een contract dat afloopt, een medewerker die vertrekt, een tool die vervangen moet worden.

Todo dit halfjaar: één dienst of sector aanwijzen die stopt, met de datum en de omzet die ermee wegvalt erbij. Zet er meteen naast wat die vrijgekomen capaciteit moet opleveren, anders vult ze zich vanzelf met hetzelfde werk. De termijn slaat op het aanwijzen; hoe lang de afbouw zelf duurt, bepaalt de eerstvolgende natuurlijke breuk en niet de kalender.

Checklist positionering

  1. Schrijf je as in één zin, zonder "en". Hang ze zichtbaar op waar je offertes gemaakt worden.
  2. Sorteer je omzet van vorig jaar per soort opdracht en per sector; noteer het aandeel van je top drie.
  3. Zoek je eigen mediaan op in figuur h02-f04 en h02-f08 en zet je eigen cijfer ernaast.
  4. Test je koperszinnen bij twee AI-assistenten, twee runs elk, en noteer het resultaat.
  5. Herschrijf de eerste alinea van je standaardofferte en test ze drie offertes lang.
  6. Wijs één dienst of sector aan die stopt, met datum en met de bestemming van de vrijgekomen capaciteit.

Je 90-dagenplan

Dagen 1-30. Sorteer je omzet per soort opdracht en per sector. Zoek je hoofdtype op in de figuren en zet je eigen marge en opbrengst per mens ernaast. Formuleer je as in één zin. Dagen 31-60. Leg die zin voor aan drie klanten en aan je kernteam. Vraag niet of ze het een goed idee vinden, vraag of ze jou erin herkennen. Test intussen je koperszinnen bij twee AI-assistenten. Dagen 61-90. Herschrijf de inleiding van je offerte. Wijs één dienst of sector aan die stopt en zet de datum in de agenda. Plan de meting van je marge per soort opdracht over een kwartaal in; dat is het cijfer waaraan je ziet of de keuze werkt.

Bronnen: eigen cijfers van IKAg, peildatum 20-08-2026, geverifieerd tegen de Agency Barometer 2026 (4.242 neergelegde boekjaren, 1.158 bureaus; deelbases per figuur vermeld, drie hoofdtypes onder de twintig bureaus). Externe referenties: Semrush, How AI tools shape the B2B buying process (enquête bij 643 Amerikaanse B2B-professionals, maart-april 2026); Emerce, M&A-markt digitale bureaus versnelt: kleinere deals, meer specialisatie (5 november 2025); Simplicate Agencies Benchmark Report via Emerce (bureaus in de overgang van dienstverlener naar strategisch adviseur).

Meer cijfers uit dit hoofdstuk 4 figuren

Deze figuren staan niet in het verhaal hierboven. Ze zijn door dezelfde controles gegaan en horen bij dit hoofdstuk; ze stonden alleen de lijn in de weg.

H2-F04

Brutomarge per VTE per hoofdtype, referentiejaar

Brutomarge per VTE per hoofdtype, referentiejaar.

  • Minstens één rij steunt op minder dan twintig bureaus; de n staat per rij in de figuur.

H2-F04 · n = 709 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

H2-F05

Mediane groei per hoofdtype, referentieovergang

Mediane groei per hoofdtype, referentieovergang.

  • Minstens één rij steunt op minder dan twintig bureaus; de n staat per rij in de figuur.
  • Vier van de vijftien hoofdtypes tellen minder dan twintig bureaus. Ze staan er in en gg-check.php markeert ze; wegfilteren zou verbergen dat ze bestaan.

H2-F05 · n = 738 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

H2-F06

EBITDA-marge per cluster, referentiejaar

EBITDA-marge per cluster, referentiejaar.

  • Een clustercijfer is geen bureautype. Productie & events haalt de hoogste mediaan van de zes, maar de middelste helft loopt daar van 17,2% tot 57,9% - breder dan het verschil tussen de clusters onderling. Zet die spreiding altijd naast de mediaan, anders leest het cijfer als een eigenschap van het cluster in plaats van als het midden van een wolk.

H2-F06 · n = 804 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20

H2-F07

Aandeel verlieslatende bureaus per hoofdtype, referentiejaar

Aandeel verlieslatende bureaus per hoofdtype, referentiejaar.

  • Minstens één rij steunt op minder dan twintig bureaus; de n staat per rij in de figuur.
  • Verlieslatend is hier een negatieve EBITDA, dus vóór afschrijvingen en financiële lasten. Een bureau met een positieve EBITDA kan onder de streep nog altijd verlies maken.

H2-F07 · n = 804 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20