Deel V · Het bureau van morgen
Wie doet het werk volgend jaar?
De aanwervingsgolf is voorbij. De mediaan staat op nul en het onderste kwartiel krimpt.
Het aanwerven is gestopt en niemand heeft het aangekondigd
Vraag een bureau-eigenaar hoe zijn jaar was en je krijgt een antwoord over klanten. Vraag hem hoeveel mensen er vorig jaar bijkwamen en hoeveel er weggingen, en het wordt stil. Niet omdat hij het niet weet, maar omdat het twee getallen zijn die zelden naast elkaar staan.
Dat is jammer, want samen vormen ze het duidelijkste signaal dat deze hele gids kan geven over de richting waarin de sector beweegt.
Netto personeelsbeweging per boekjaar
Netto personeelsbeweging per boekjaar: instroom min uitstroom, gedeeld door de gemiddelde bezetting. n = 2.330 bureau-boekjaren, 500 in het referentiejaar.
- DE KERNFIGUUR VAN HET HOOFDSTUK. Instroom min uitstroom, gedeeld door de gemiddelde bezetting. Positief is aangroei, negatief is krimp.
- De mediaan gaat van +11,5% in 2021 naar 0,0% in 2024 en blijft daar.
- Dat is niet één slecht jaar maar het einde van een aanwervingsgolf.
- KIJK NAAR p25 EN NIET NAAR DE MEDIAAN. Een mediaan van nul leest als rust, en de spreiding zegt het tegenovergestelde: het onderste kwartiel ging van +0,0% in 2021 naar -12,8% in 2024. De helft van de beweging die verdween, was krimp die erbij kwam.
- Boekjaar 2025 is onvolledig neergelegd, zoals overal in deze gids.
- De reeks begint bij 2021: boekjaar 2019 en 2020 dragen geen rubrieken bij de Nationale Bank, dus de sociale balans bestaat daar niet.
H10-F01 · n = 2.330 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20
In 2021 groeide het mediane bureau met 11,5% in personeel. In 2022 was dat 7,9%, in 2023 nog 0,6%, en in 2024 en 2025 exact nul.
Dat is geen inzinking van één jaar. Het is het einde van een aanwervingsgolf, en hij is in drie jaar tijd volledig uitgedoofd.
Zelfdiagnose: staat je ploeg stil of beweegt hij
Waarom dit telt. Bij een ploeg die netto stilstaat kan er van alles bewegen: nul erbij en nul eraf is iets heel anders dan tien erbij en tien eraf. De meeste eigenaars kennen het ene getal wel en het andere niet.
| Vraag | Jouw cijfer |
|---|---|
| Gemiddeld aantal VTE vorig boekjaar | |
| Mensen die erbij kwamen, in VTE | |
| Mensen die weggingen, in VTE | |
| Netto beweging als percentage | % |
| Loonkost per VTE | € |
Drie vragen bij het resultaat:
- Staat je netto beweging onder -12,8%? Dan zit je in het onderste kwartiel van de sector, en dan is de vraag of dat een keuze was of een gevolg.
- Ken je de derde rij zonder het op te zoeken? De meeste eigenaars kennen de tweede wel en de derde niet, en dat is precies de asymmetrie waar dit hoofdstuk over gaat.
- Is je loonkost per VTE sneller gestegen dan je brutomarge per VTE? Dat cijfer staat in je zelfdiagnose van hoofdstuk 1. Als het antwoord ja is, heb je geen personeelsvraag maar een prijsvraag, en die staat in hoofdstuk 5.
Vul in wat je uit het hoofd weet en laat de rest open. Wat de sector doet, staat hieronder; kom terug naar deze tabel zodra je het gelezen hebt.
Maar de nul is niet het echte cijfer
Een mediaan van nul leest als rust. Kijk naar de band eronder en het beeld kantelt.
Het onderste kwartiel stond in 2021 op +0,0% en in 2024 op -12,8%. Met andere woorden: in 2021 kromp vrijwel geen enkel bureau, en in 2024 verloor een kwart van de bureaus meer dan een achtste van zijn ploeg.
Aan de bovenkant gebeurde het omgekeerde: p75 zakte van +32,4% naar +15,0%. De groeiers groeien nog, maar half zo hard.
De sector is dus niet stil gaan staan. Hij is uit elkaar gaan lopen. Wie dit jaar op nul uitkomt, staat niet in het midden van een rustige markt maar tussen een kwart dat krimpt en een kwart dat aanwerft. Dat is een andere vraag om je aan je ploeg te stellen.
En de grootste bureaus krimpen het hardst
Netto personeelsbeweging per grootteklasse, referentiejaar
Netto personeelsbeweging per grootteklasse in het referentiejaar. n = 500 bureaus.
- DE ENIGE KLASSE MET EEN NEGATIEVE MEDIAAN IS DE GROOTSTE: -3,7% bij veertig VTE en meer. De kleinste klasse staat op nul met een p75 van +28,4%, dus daar groeit een kwart hard door.
- Een verhouding op een kleine noemer beweegt hard. Bij drie VTE is één aanwerving 33%, bij zestig is dat 1,7%. De brede spreiding in de kleinste klasse is dus deels rekenkunde en niet alleen gedrag; de mediaan is daar de betrouwbaarste kolom.
H10-F02 · n = 500 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20
Van de vier grootteklassen is er precies één met een negatieve mediaan: veertig VTE en meer, op -3,7%. De drie kleinere klassen staan alle drie op nul.
De kleinste klasse heeft daarbij de breedste band, met een p75 van +28,4%. Een deel daarvan is rekenkunde en geen gedrag: bij drie VTE is één aanwerving 33%, bij zestig is dezelfde aanwerving 1,7%. Lees in die klasse dus de mediaan en niet de uitersten.
Wat overblijft is een patroon dat je in het nieuws niet leest: het zijn niet de kleine bureaus die het moeilijk hebben met hun personeelsbestand, het zijn de grote.
De kostenkant, die ondertussen doorloopt
Loonkost per VTE, verdeling per boekjaar
Loonkost per VTE, verdeling per boekjaar. n = 3.135 bureau-boekjaren.
- De teller is rubriek 62, de personeelskosten uit de resultatenrekening, en niet de sociale balans. Nagemeten tegen het gepubliceerde cijfer van de barometer: 59.962 over 709 bureaus met rubriek 62, 59.422 over 680 met de sociale balans. Het gepubliceerde cijfer is het eerste.
H10-F03 · n = 3.135 bureaus · op neergelegde jaarrekeningen · peildatum 2026-08-20
Zet die twee naast elkaar en je hebt de vraag van dit hoofdstuk. Het aantal mensen staat stil; wat elk van hen kost, staat dat niet. In een land met automatische indexering is dat geen keuze die je maakt maar een rekening die komt.
Hoofdstuk 1 noemt het verschil tussen brutomarge per VTE en loonkost per VTE de belangrijkste meter die er is. Dit hoofdstuk zegt waar dat verschil vandaan gaat komen: niet uit minder mensen, want die beweging is al gebeurd.
Wat wij hierover níét kunnen zeggen
Twee dingen, en ze zijn allebei de moeite om te weten voor je dit cijfer ergens citeert.
Wij publiceren geen verlooppercentage. De sociale balans draagt de bruto uitstroom, en wij hebben hem gerekend: mediaan 34,5% van de bezetting, p90 boven de honderd procent. Dat leest als "één op de drie mensen vertrekt elk jaar" en het meet iets anders. Rubriek 3053 telt iedereen die in de loop van het jaar uitschreef, dus ook korte contracten, interims en jobstudenten. Bij p90 vertrekken er méér mensen dan de gemiddelde bezetting, en dat kan alleen als een deel van hen er maar even was. Het verschil tussen in en uit heeft die last niet, en daarom staat dat verschil in de figuren en de bruto uitstroom niet.
Wij weten niet waarom mensen weggingen. De sociale balans vraagt dat wél uit, in vier categorieën, maar alleen in het volledige schema. Dat is 41 van de 767 bureau-boekjaren in het referentiejaar, en systematisch de grootste bureaus. Een cijfer op die basis zou een uitspraak over grote bureaus zijn met een sectorlabel erop.
Handvat 1: zet die twee getallen elk kwartaal naast elkaar
Niet één keer per jaar bij de jaarrekening, want dan is het een vaststelling. Vier keer per jaar: hoeveel VTE erbij, hoeveel eraf, en het saldo. Twee cijfers en een aftrekking.
Wat je wil zien is niet het saldo zelf maar of het van teken wisselt zonder dat er een beslissing aan voorafging. Een bureau dat drie kwartalen op nul staat en in het vierde op -8%, heeft geen aanwervingsprobleem maar een vertrekprobleem, en dat merk je alleen als je de twee kolommen apart houdt.
Handvat 2: onderscheid vervanging van uitbreiding
Een aanwerving die een vertrek opvangt en een aanwerving die capaciteit toevoegt, kosten hetzelfde en betekenen het tegenovergestelde. In de meeste bureaus staan ze in dezelfde regel van dezelfde begroting.
Zet er een kolom bij. Aan het eind van het jaar weet je dan of je gegroeid bent of alleen hebt bijgehouden, en dat is het verschil tussen een ploeg die zich uitbreidt en een ploeg die lekt.
Handvat 3: reken uit wat één vertrek je werkelijk kost
De meeste bureaus rekenen een vertrek als een besparing op de loonlijst. Reken het één keer volledig door: de weken waarin het werk blijft liggen of door anderen wordt opgevangen, de rekrutering, en de maanden waarin de vervanger nog niet op snelheid is.
Je hoeft dat maar één keer te doen. Het getal dat eruit komt, verandert vrijwel altijd hoe een bureau naar het vierde handvat kijkt.
Handvat 4: vraag het aan wie blijft, niet aan wie vertrekt
Het exitgesprek is het slechtst getimede gesprek in het vak. Wie opzegt, heeft zijn beslissing al genomen en heeft geen enkele reden om het scherp te zeggen.
Het gesprek dat wél werkt, voer je met de mensen die blijven, en het gaat over één vraag: wat zou jou hier over twee jaar nog steeds houden. Dat is geen tevredenheidsvraag maar een vraag naar wat er moet gebeuren, en het antwoord is bruikbaar terwijl het nog kan.
Checklist de ploeg
- Je kent je in- en uitstroom in VTE, allebei apart.
- Je netto beweging staat naast de sectorband uit dit hoofdstuk.
- Vervanging en uitbreiding staan in je begroting niet op dezelfde regel.
- Je hebt één keer volledig doorgerekend wat een vertrek kost.
- Je voerde het voorbije jaar met je vijf belangrijkste mensen een gesprek over waar zij over twee jaar willen staan.
Je 90-dagenplan
Dagen 1-30. Haal je in- en uitstroom in VTE uit je sociale balans van vorig boekjaar en reken het saldo uit. Zet het naast de band in de eerste figuur. Dat is één namiddag en het is het enige cijfer van dit hoofdstuk dat je nodig hebt om te beginnen.
Dagen 31-60. Splits vervanging van uitbreiding in je begroting voor dit jaar. Reken één vertrek volledig door, inclusief de weken dat het werk bleef liggen.
Dagen 61-90. Voer met je vijf belangrijkste mensen het gesprek uit handvat 4. Zet de kwartaalmeting uit handvat 1 in de agenda, met de twee kolommen erin.
Bronnen: eigen cijfers van IKAg, peildatum 20-08-2026. De sociale balans uit de neergelegde jaarrekeningen bij de Nationale Bank: 500 actieve bureaus met minstens één VTE in het referentiejaar 2024, 2.330 bureau-boekjaren over de reeks 2021-2025. Boekjaar 2019 en 2020 dragen bij de Nationale Bank geen rubrieken, dus de reeks kan niet vroeger beginnen. De bruto uitstroom is gerekend en bewust niet gepubliceerd, en de reden van uitstroom staat maar in 41 van de 767 bureau-boekjaren; beide staan in de tekst.